C-Archief
Ga naar de inhoud
Venezuela en de Donroe-doctrine De 51ste staat Sinds de Tweede Wereldoorlog wierpen de VS minstens twee dozijn regeringen in Zuid-Amerika omver. Donald Trump pakt deze lijn weer op. Is zijn aanval op Venezuela het begin van een nieuw, schaamteloos, Amerikaans interventionisme?
Sebastiaan Faber + Bio
5 januari 2026 – uit nr. 1-2
Cadeau geven
Delen
Leeslijst
Donald Trump na de persconferentie over de Amerikaanse aanval op Venezuela, 3 januari © Jonathan Ernst / REUTERS Toen de onderzoeksjournalist Seymour Hersh midden jaren zeventig onthulde dat de CIA verschillende buitenlandse machthebbers had geprobeerd te vermoorden, stelde president Ford een onderzoekscommissie in die een stortvloed van schokkende verhalen opleverde over de geheime operaties van de Amerikaanse inlichtingendiensten. ‘Het was volslagen waanzinnig’, zegt Hersh in Cover-Up, een nieuwe Netflix-documentaire over zijn werk. ‘Moordaanslagen buiten de grenzen, binnenlandse spionage, psychologische experimenten…’
Henry Kissinger, die in 1973 als National Security Advisor van de Verenigde Staten de Chileense generaal Pinochet een handje had geholpen met zijn staatsgreep tegen de democratisch verkozen – en later vermoorde – president Allende, bleef alles glashard ontkennen. (‘Er is nooit een plan geweest om buitenlandse leiders om het leven te brengen’, loog hij na zijn verhoor voor een senaatscommissie in 1975.) Toch leidden de schandalen uit die tijd tot belangrijke wetsveranderingen, waaronder een verscherping van de controlefunctie van het Congres en een verbreding van de Freedom of Information Act (FOIA), de Amerikaanse versie van de Wet open overheid. Vooral dat laatste bleek een machtig democratisch wapen. De FOIA heeft onderzoekers de afgelopen vijftig jaar in staat gesteld om de meest gênante overheidsgeheimen aan het licht te brengen.
Na de Amerikaanse aanval op Venezuela en de ontvoering van president Nicolás Maduro en zijn vrouw kunnen we stellen dat de FOIA zijn beste tijd heeft gehad. Niet omdat de Amerikaanse overheid het recht niet meer schendt, maar omdat zij niet langer haar best lijkt te willen doen om dat te verbergen. Donald Trump en Marco Rubio zijn Nixon en Kissinger niet. Wat de laatsten angstvallig geheimhielden, daar komen de huidige leiders van de Verenigde Staten openlijk voor uit.
‘Wat ik gisteravond gezien heb’, zei Trump tegen de pers na de operatie in Caracas, ‘was een uiterst precieze aanval op de soevereiniteit.’ Hij voegde daaraan toe: ‘Ze hebben onze olie gestolen, dat konden we niet ongestraft laten’, en: ‘Wij gaan het land voorlopig runnen. Er komt straks een hele hoop geld uit de grond.’ Pete Hegseth, de minister van Defensie, deed er nog een schepje bovenop: ‘Onze vijanden zijn gewaarschuwd. Wij kunnen onze wil opleggen aan wie dan ook, wanneer dan ook.’
‘Die persconferentie vond ik eerlijk gezegd nog schokkender dan de aanval zelf’, bekent Peter Kornbluh, die als medewerker van het National Security Archive al zo’n veertig jaar lang de FOIA gebruikt om over Amerikaanse misdragingen in Latijns-Amerika te schrijven. ‘Dit is een complete terugkeer naar de jaren van Teddy Roosevelt, het gouden tijdperk van de gun boat diplomacy, toen de VS hun macht in de regio botvierden, gewoon omdat het kon, onder het motto might makes right. Deze interventie in Venezuela brengt niet alleen de regio in gevaar, maar is een bedreiging voor de hele wereldorde die na de Tweede Wereldoorlog is opgezet – een orde waarin de soevereiniteit van staten en het principe van niet-inmenging de basis vormen van het internationaal recht.’
De maanden die voorafgingen aan de operatie van 3 januari waren, om Gabriel García Márquez te parafraseren, een kroniek van een aangekondigde aanval. ‘Ze wisten dat we het op hen gemunt hadden’, zei Trump op zaterdag tegen de pers, ‘en toch hebben we ze overmand.’ In november repte de Nationale Veiligheidsstrategie al van een hernieuwd imperialistisch elan, te beginnen met een remake van de Monroe-doctrine, om de absolute Amerikaanse dominantie op ‘ons’ halfrond veilig te stellen – ideeën waar Trump op zijn persconferentie direct naar verwees.
‘Venezuela verwelkomde buitenlandse vijanden in onze regio’, zei hij. ‘Daarmee overtrad het de kernprincipes van ons buitenlands beleid, die teruggaan op de Monroe-doctrine, die ze nu ook wel de Donroe-doctrine noemen.’ En hij deed een belofte: ‘Onder onze nieuwe nationale veiligheidsstrategie zal er aan de Amerikaanse dominantie op het westelijk halfrond nooit meer worden getornd.’
‘We zijn in een nieuw tijdperk beland, een periode van openlijk, naakt en onbeschroomd imperialisme’, zegt Kornbluh. ‘Trump denkt oprecht dat de olie van Venezuela toebehoort aan de VS. Al in zijn eerste ambtstermijn hield hij tegenover John Bolton vol dat Venezuela simpelweg deel uitmaakt van de Verenigde Staten. Trump heeft de illusies van een keizer – maar ja, wat is een keizer zonder rijk? En aangezien hij er niet in is geslaagd om Canada te dwingen de 51ste Amerikaanse staat te worden, richt hij nu zijn blik naar het zuiden. En er is niets of niemand die hem een strobreed in de weg legt.’ Trump en Rubio maakten op zaterdag inderdaad duidelijk dat dit wat hun betreft pas het begin is. De overname van Venezuela, zeiden ze, geldt als een waarschuwing voor andere Latijns-Amerikaanse leiders die het wagen om het gezag van de VS te tarten. Om te beginnen die van Cuba en Colombia.
Dat de VS zich mengen in Latijns-Amerikaanse politiek is natuurlijk niets nieuws. Alleen al sinds de Tweede Wereldoorlog heeft het land minstens twee dozijn regeringen in de regio omvergeworpen, meestal door strategische steun te verlenen aan lokale coupplegers, maar zo nodig ook door middel van moordaanslagen of directe militaire interventie. ‘De VS opereren al sinds de negentiende eeuw vanuit de aanname dat het, als sterkste jongen van de straat, het recht heeft om de veiligheid, politiek en economieën van alle landen op het halfrond te controleren’, zegt Kornbluh. ‘Tijdens de Koude Oorlog werd dat beleid tijdelijk gerechtvaardigd als deel van de wereldwijde strijd tegen het communisme. Maar de operatie in Venezuela bevestigt de continuïteit van die tweehonderd jaar oude koers op de meest flagrante manier. Als er iets is wat we Trump kunnen nageven, is het dat hij transparant is over zijn hebzuchtige doeleinden.’
De Venezolanen zelf koesteren dan ook weinig illusies. ‘De meeste mensen die ik spreek zijn bang en kijken de kat uit de boom’, zegt Eva van Roekel, die als antropoloog al jaren onderzoek doet in het land. ‘Veel mensen zijn blij dat Maduro weg is, vooral de oppositie, die per slot van rekening al twintig jaar probeert van Chávez en Maduro af te komen. Maar ze hebben geen idee wat hun nu te wachten staat. Voorlopig blijven de chavisten de dienst uitmaken. En de Venezolanen kijken er niet bepaald naar uit om nu door de VS gekoloniseerd te worden. Het blijft een keuze tussen twee kwaden, maar dat zijn ze zo langzamerhand wel gewend. Dat Maduro door de VS is ontvoerd in een speciale militaire operatie van een elite-eenheid was wat men zich wel kon voorstellen, maar de manier waarop, met bombardementen en meer dan veertig dodelijke slachtoffers, dat is voor veel Venezolanen echt een brug te ver. En die mogelijke tweede, “nog veel grotere” aanval waar Trump mee dreigt, jaagt natuurlijk veel angst aan.’
Ook de trant van Trumps verhaal, waarin de VS zijn ‘gestolen’ olierijkdom terugeist, roept brede weerstand op, zegt Van Roekel. ‘Het is waar dat de oliewinning op een laag pitje staat en dat de infrastructuur sterk verouderd is, hoewel dat ook aan de sancties te wijten is, die het onmogelijk maken Amerikaanse onderdelen te vervangen. Dat buitenlandse mogendheden zich vooral voor het land interesseren vanwege zijn olievoorraad, nemen veel Venezolanen voor lief. Maar het is wel hún olie. Een terugkeer naar het verleden, waarin alle opbrengst wegvloeide naar de VS, of waarin de oliewinning tot grote economische ongelijkheid leidde, is onaanvaardbaar.’
Peter Kornbluh verwacht ook elders in Latijns-Amerika een tegenreactie. ‘In het begin van de twintigste eeuw kregen de VS de rekening gepresenteerd van hun gun boat diplomacy: een golf aan ressentiment waarin de burgers van Latijns-Amerika zich massaal tegen de VS mobiliseerden en op de bres sprongen voor hun grondstoffen, politiek en cultuur. Onder die druk besloot president Franklin Roosevelt om het roer om te gooien en in te zetten op de Good Neighbor Policy. We staan nu aan het begin van een nieuwe cyclus van schaamteloos Amerikaans interventionisme, dat uiteindelijk opnieuw zal leiden tot nationalistische opstanden in Latijns-Amerika. Mocht Donald Trump het wagen Mexico aan te vallen, bijvoorbeeld, dan radicaliseert de bevolking direct. Ook een aanval op Cuba zou op het hele continent heel veel losmaken, ook al heeft het eiland een groot deel van zijn iconische status inmiddels verloren.’
Is Trump zich bewust van deze risico’s? Kornbluh betwijfelt het. ‘Ik heb in de loop der jaren genoeg interne documenten gelezen om te weten dat Amerikaanse presidenten in het verleden ambtenaren hadden die hen wezen op de gevaren van diplomatieke crises. Dat is precies de reden waarom de cia altijd in het geheim opereerde en de overheid die operaties ontkende. Voor Trump heeft de cia een andere rol. Omdat hij de hele wereld wil laten zien hoe machtig hij wel niet is, vertelt hij iedereen precies wat de cia doet.’
Daarnaast is het goed mogelijk dat Trump en zijn team, in hun opschepperigheid, de mate van planning overdrijven, stelt de politieke journalist Josh Marshall. ‘Ik heb het sterke vermoeden dat ze aan het improviseren geslagen zijn’, schreef hij in Talking Points Memo. ‘Ik denk niet dat er één enkele reden is waarom we de president van Venezuela ontvoerd hebben, een hele hoop boten hebben opgeblazen, en de marine in de regio hebben gestationeerd. Ik vermoed dat verschillende facties in de regering dit om verschillende redenen hebben ge
Populisme en het christendom Het zaadje dat Jezus plantte De democratie is niet zomaar een handige organisatievorm, ze is gebouwd op een moreel fundament: het christendom. Is dat de reden dat we, na onze massale uittocht uit de kerk, nu terugkeren?
Yvonne Zonderop beeld Milo
17 december 2025 – verschenen in nr. 51-52
Cadeau geven
Delen
Leeslijst
Ook al zag je nog nooit een kerk vanbinnen en heb je geen idee wat er in de bijbel staat, dan nog sta je als inwoner van Nederland in een cultuur met christelijke fundering. Dit inzicht is in Nederland amper gemeengoed, want het begrip ‘christelijk’ was decennialang nauwelijks in gebruik. Het land was verzuild in rooms-katholiek, hervormd, gereformeerd en ongelovig. Elke zuil had zijn eigen media, zijn eigen onderwijs en dus een eigen versie van de geschiedenis. Niemand drong erop aan om de lange lijnen van de geschiedenis te bezien in een meer algemeen christelijk licht. Terwijl zo’n benadering voor niet-gelovigen logischer zou zijn: een religieuze beweging die al vijftienhonderd jaar aanwezig is, laat diepe sporen na in onze cultuur en in onze mentaliteit – ongeacht de uiteenlopende stromingen daarbinnen.
De laatste jaren komt hier voorzichtig verandering in. Ook dat is verklaarbaar. We zijn klaar, na vijftig jaar wegpoetsen van de invloed van religie op ons dagelijks leven. De ontzuiling heeft haar werk gedaan. De nadelen en kwalijke effecten van religie zijn ruimschoots uitgemeten. Het kerkbezoek is op een dieptepunt beland. Er kan nu met een koeler oog worden gekeken naar de doorwerking van het christendom in onze cultuur. Die invloed strekt verder – en is aanzienlijk interessanter – dan de vraag of we nog Kerstmis en Pasen vieren, en de ‘joods-christelijke traditie’ waar rechtse politici steeds maar op hameren.
Een afstandelijker blik en een bredere scope bieden ruimte voor een meer onthecht verhaal, dat ook relevant is voor niet- of andersgelovigen. Hoe kon de subversieve ideologie van een klein groepje gelovigen tweeduizend jaar geleden uitgroeien tot een waardenpatroon dat gemeengoed werd in de westerse wereld? Welke mensen, welke ideeën en welke ontwikkelingen speelden daarbij een rol?
De nieuwe Ongelooflijke geschiedenis-podcast van de EO heeft dit als thema. Als spin-off van de populaire Ongelooflijke podcast duiken historicus Beatrice de Graaf en theoloog Stefan Paas in de religieuze geschiedenis van Nederland en haar doorwerking tot nu. Beide wetenschappers zijn gelovig, maar hun benadering is populair-historisch, verteld aan de hand van locaties en personen en gericht op een algemeen publiek.
Ze laten zich inspireren door een trend die een jaar of wat geleden ontstond in het Verenigd Koninkrijk. Diverse auteurs begonnen te betogen hoe bijzonder en vormend het christendom eigenlijk is geweest en hoe belangrijk het is om dat te begrijpen, ook al zegt het geloof je persoonlijk weinig.
Een voorbeeld is Tom Holland, auteur van beeldende, veelgeprezen boeken over de Romeinse en vroegmiddeleeuwse oudheid. In 2019 publiceerde hij Dominion: The Making of the Western Mind (Heerschappij in de Nederlandse vertaling). Het boek beschrijft de opkomst van het christendom vanaf de Romeinse tijd als een persistente revolutie van have-nots, van vrouwen, slaven en zwakkeren, die hun geloof stelden in een timmermanszoon die een schaamtevolle dood stierf aan het kruis, in plaats van in de machtige, imposante en veelal wrede keizers in Rome. Het christendom, aldus Holland, maakte van zwakte een kracht, en van een god een mens. Dat was een revolutionaire beweging. Met haar nadruk op de waardigheid van de mens legde ze uiteindelijk de basis voor ons denken over democratie.
Politiek filosoof Larry Siedentop (1936-2024) verraste in 2014 met een soortgelijke stelling in zijn boek Inventing the Individual. Hij beweert dat de liberale samenleving voortkomt uit het christendom. Een prikkelende bewering, want juist liberalen waren altijd de felste bestrijders van kerkelijke invloed op het publieke leven – denk aan homoseksualiteit, abortus of euthanasie. Maar Siedentop maakt met voorbeelden toch tamelijk aannemelijk dat concepten als ‘de vrije wil’ en de erkenning van ‘het individu’ al ver voor de Verlichting opgeld deden bij christelijke heersers. De vroegste bron hiervan was apostel Paulus, die in 60 na Christus een mix van oorspronkelijk joodse, Griekse en nieuw christelijke ideeën propageerde als de leer van het christendom.
Een kerngedachte die Paulus uitdroeg was: voor God zijn alle mensen gelijk aan elkaar. Dat was een volstrekt nieuwe, subversieve opvatting, die dwars inging tegen het heersende patriarchaat, waarin de pater familias in alle opzichten vanzelfsprekend de baas was. Paulus schreef aan de Korintiërs: ‘Er zijn geen joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen een in Christus Jezus.’
Hier werd een zaadje geplant voor de claim dat mensen gelijkwaardig zijn ondanks hun verschillen. Het bracht uiteindelijk de emancipatie van het individu op gang, langzaam maar zeker, met grote terugslagen en tegenwerking, ook van kerken, maar uiteindelijk niet te stuiten. Bij Paulus begon een lijn van denken die mensen afzonderlijk status gaf, los van familie, groep of stam. Deze benadering van het individu is een cultureel kenmerk dat ‘het Westen’ nog steeds onderscheidt van andere culturen, aldus Siedentop.
Zelfs de invloedrijke Britse rabbijn Jonathan Sacks (1948-2020) erkende dat er zonder christendom geen Verlichting zou zijn geweest. Sachs legde in allerlei boeken relaties tussen het jodendom en de moderne tijd. Hij had geen moeite met het begrip ‘joods-christelijk’ en wees er juist op dat het christendom had voortgebouwd op joodse principes, zoals menselijke waardigheid en het belang van scheiding van machten, waar ze vervolgens hun eigen draai aan hadden gegeven.
Het resultaat – dat christendom – laat zich niet zo eenvoudig definiëren. Het is een religie met veel gezichten. Zijn geschiedenis is bezaaid met afsplitsingen en interpretatieverschillen, tot oorlogen aan toe. Nog steeds kunnen christenen heel verschillend kijken naar de wereld en naar wat God van ze vraagt. Op dit moment staan bijvoorbeeld de Nederlandse Christelijke Gereformeerde Kerken op scheuren vanwege een meningsverschil over de posities van de vrouw en homoseksuelen in de kerk.
Het christendom heeft geen enkelvoudige leer die geldt voor alle gelovigen, maar wel typerende kenmerken en uitgangspunten. Het beschouwt zichzelf als universeel: de religie is er voor alle mensen, niet voor een enkel volk. Het is doordrenkt van meervoudigheid en pluriformiteit. Zelfs God is niet eenduidig, maar bestaat uit een drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het evangelie van Jezus wordt in de bijbel vier keer beschreven door verschillende auteurs. Het christendom stelt de mens boven het systeem of de ideologie. Daaruit volgt onder meer dat de menselijke intentie (ik bedoelde het goed) zwaarder kan wegen dan het naleven van regels (maar het mag niet, punt uit).
Met horten en stoten heeft dit wendbare en beweeglijke stelsel een democratische samenleving voortgebracht. Het is geen toeval dat de democratische rechtsstaat vanzelf spreekt in landen met een christelijke geschiedenis. Zoals de Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson zei: ‘Een werkelijk menselijke samenleving, en ook de democratie, is gebaseerd op de waarde van elk mens als zodanig.’
Zo bezien is het op z’n minst ironisch dat rechts-populistische krachten al een tijd een claim leggen op de joods-christelijke traditie met een verhaal van uitsluiting, van discriminatie, van groepsdenken, van absolute gehoorzaamheid aan een leider, en van democratie als een kwestie van de meeste stemmen tellen en de meerderheid wint. De term joods-christelijk is zo beladen geworden dat de van oorsprong protestants-christelijke krant Trouw in een hoofdredactioneel commentaar schrijft: wie dit gebruikt, heeft iets uit te leggen – ook al is de schatplichtigheid van het christendom aan het jodendom evident.
De rechts-populisten zijn erin geslaagd een woordvoerderschap op te eisen van een beweging waar ze persoonlijk vaak niet eens in geloven. Niet alleen in Nederland, maar in veel Europese landen zetten ze de toon met nationalistische, veelal xenofobische standpunten, waarmee ze zich agressief afzetten tegen de islam en moslims. Ze schilderen het christendom af als onverdraagzaam en monomaan, niet als divers, pluriform en menselijk. Hun invulling staat haaks op de kenmerken die Tom Holland, Larry Siedentop of Jonathan Sachs recentelijk bezongen. En het slaat – dat moet gezegd worden – overal aan.
Hoe heeft dit kunnen gebeuren? De Belgische journalist en voormalig woordvoerder van het bisdom Brugge Mark Van de Voorde maakt in zijn essay Niet in onze naam (2025) een boze analyse. Juist omdat de meeste mensen niet meer gelovig en kerkelijk zijn, juist omdat ze zich er niet meer persoonlijk toe hoeven te verhouden, en ook omdat religieuze organisaties zich amper verzetten tegen de claims van populisten, lag de christelijke erfenis voor het grijpen. De kapers konden kapitaliseren op de nostalgische aantrekkingskracht van gemeenschap, overzicht, herkenbaarheid, voorspelbaarheid – begrippen waarvoor burgers massaal de neus ophaalden toen ze de kerk verlieten, maar die illuster zijn geworden in de technocratische, lege publieke ruimte van de afgelopen jaren.
Van de Voorde schrijft: ‘Het afscheid van kerk en geloof was niets anders dan een religieuze, spirituele, levensbeschouwelijke en filosofische geheelonthouding.’ Diep in het hart van veel mensen sluimert nog steeds een transcendent verlangen, dat in beangstigende tijden kan worden opgediept. Radicaal-rechtse politici wekken die religieuze honger bekwaam op. ‘Maar’, zo schrijft hij, ‘dan wel met een banket van haat, wraak, eer, glorie en superioriteit.’
Van de Voorde vindt dat de kerk zich actiever zou moeten verzetten tegen deze kaping van haar gedachtegoed. Om de democratie te r